05 | CompositieTechnisch snap je het allemaal wel. Je camera kent geen geheimen meer en je weet hoe je een kleurzweem of een bewogen foto kunt voorkomen. Dat betekent echter niet dat elke druk op de ontspanknop een ‘winnaar’ oplevert. Want hoe is de compositie van de foto? In deze Tricks & Tips geven we je enkele handvatten om de opbouw van je foto’s een stukje beter te maken.
Bewust klikkenAls je een goede foto wilt maken, dan moet je voordat je de ontspanner indrukt, nagedacht hebben over wat je met die foto wilt vertellen. Dat hoeft geen ellenlange overpeinzing te zijn, al is het maar een fractie van een seconde. Want heb je dat gedaan, dan kun je op basis daarvan het hoofdonderwerp in het kader van de zoeker plaatsen. Dat klinkt misschien allemaal moeilijk, maar waar het om gaat dat je bewust gaat fotograferen. Daarbij kunnen de onderstaande hulpmiddelen je van dienst zijn, maar we zeggen er dan meteen bij dat het geen bindende regels zijn en dat je er vrijelijk creatief van af kunt wijken. Dus wil jij het hoofdonderwerp exact in het midden van het kader plaatsen, omdat dat in jouw ogen het mooist is, dan moet je dat doen en regels als ‘onderwerp uit het midden’ en de ‘regel van 1/3’ negeren. Desalniettemin hieronder enkele aandachtspunten bij het verkrijgen van een aantrekkelijke compositie.
Standpunt-brandpuntTest. Zoom met je camera met standaardzoomlens helemaal uit en maak van dichtbij een portretfoto van hoofd en schouders van je partner. Zoom vervolgens helemaal in en loop zo ver naar achter dat hoofd en schouders weer op dezelfde manier het kader vullen. Maak dan weer een foto. Vergelijk deze foto’s eens met elkaar en je ziet dat er grote verschillen zijn. Bij de uitgezoomde foto zijn de verhoudingen van het gezicht overdreven en je ziet veel van de achtergrond. Bij de ingezoomde foto is het gezicht veel meer in proportie en zie je ook minder achtergrond.
Als fotograaf heb je met een zoomlens dus de keuze om met een bepaalde combinatie van standpunt en brandpunt (hoe ver ingezoomd) het karakter van het hoofdonderwerp te sturen en de achtergrond in de compositie te betrekken. Wil je alleen aandacht voor het hoofdonderwerp, dan loop je dus achteruit en zoom je ver in (telelens). Wil je het onderwerp meer in zijn context plaatsen, dan doe je dat door dichterbij te gaan en uit te zoomen (groothoek). Met de keuze van je standpunt kun je echter nog veel meer ‘sturen’ in je foto. Als je bovenstaande foto maakt - half ingezoomd op een meter of twee - en je gaat iets naar links of rechts of iets naar boven of onder met de camera, let dan maar eens op hoe de achtergrond (drie of vier meter achter het hoofdonderwerp) beweegt ten opzichte van het model. Zo kun je voorkomen dat er een lantaarnpaal uit iemands hoofd komt of hoe je met een laag standpunt een blauwe lucht als achtergrond krijgt in plaats van een rommelige schutting. Tip: fotografeer je kinderen, huisdieren en lage bloemen en planten, ga dan door de knieën en zorg dat je op ooghoogte bent met deze onderwerpen. Niet vergeten! Het worden dan echt veel leukere foto’s. Let dan weer wel goed op de achtergrond.
Uit het middenDe Hollandse Meesters deden het al: de Gulden Snede. Verdeel het kader in twee horizontale en twee verticale lijnen en zet de belangrijkste onderdelen van de foto op deze lijnen of op de kruispunten ervan. Deze werkwijze wordt nu ‘de regel van 1/3’ genoemd en zonder dat je een meetlat nodig hebt, betekent dat vooral dat je het hoofdonderwerp links of rechts uit het centrum van het kader plaatst of de horizon iets boven of onder het midden. De foto wordt dan net een stukje interessanter. Durf ook de camera eens scheef te houden en laat belangrijke lijnen in het onderwerp over de diagonaal lopen van het kader. Ook maakt het verschil of je een foto maakt met een liggend kader (Landscape) of een staand kader (Portrait). In het eerste geval benadruk je weidsheid en met een staand kader de hoogte of diepte.
Scherptediepte en bewegingWil je de aandacht van het menselijk oog, zorg dan dat één deel van de foto scherp is en de rest eromheen niet. Dit doe je door te spelen met de scherptediepte. Je creëert dat effect door ver in te zoomen, redelijk dicht bij het onderwerp te staan en een grote lensopening (groot diafragma, f/2.8) te gebruiken. Bij een spiegelreflex is de scherptediepte kleiner dan bij een compactcamera.
Aarzel ook niet om eens een lange sluitertijd te gebruiken. Zet de camera ’s avonds, in een bos of binnen eens op statief (of op een muurtje) en kies een sluitertijd van een seconde. Alles wat beweegt in het kader komt dan gestreept op de foto en alles wat stilstaat is haarscherp. Je kunt dat effect ook omdraaien door bijvoorbeeld met de camera met een schommelend kind of rennende hond mee te bewegen en in die beweging bij 1/50s op de ontspanner te drukken. Dit heet de meetrektechniek en geeft naar enige oefening verrassend dynamische foto’s met een gestreepte achtergrond en relatief scherp hoofdonderwerp.
VoorbereidingAls je met je camera op pad gaat, bereid je dan goed voor. De juiste lenzen, reserve accu en geheugenkaartje en een beeld van wat je wilt gaan fotograferen. Speelt het weer daarin een rol, kijk dan eerst op Buienradar en wil je een zonsopkomst of -ondergang vastleggen, kijk dan waar en hoe laat dat gaat gebeuren. Kijk ook hoe je op een bepaalde plaats kunt komen en of het gebied vrij toegankelijk is. Google Maps en internet kunnen je daarbij helpen. Vaak maak je bij het opkomen of ondergaan van de zon mooiere foto’s dan midden op de dag en pas daar dan je planning op aan.
ConclusieOm het hoofdonderwerp beter op de foto te krijgen, moeten we meer bewust gaan fotograferen en soms meer aandacht geven aan de achtergrond. Durf te spelen met scherptediepte en met de sluitertijd en bereid je goed voor als je op pad gaat. Bekijk op internet veel foto’s over een bepaald onderwerp of van een locatie, zodat je ziet hoe anderen het doen en op basis daarvan je eigen beeld vormt. |



